Erfelijkheid

een gezonde genenvariatie

Elk levend wezen heeft met erfelijkheid te maken, of liever gezegd: met genen. Want genen bepalen wie wij zijn en hoe we eruit zien. Dat geldt voor alles wat leeft, dus voor muizen, olifanten, fruitvliegjes en honden. Genen bezitten ongelooflijk veel informatie. Ze houden ook van zelfstandigheid, want bij de samensmelting van eicel en zaadcel mengen ze niet met elkaar. Meng rode met witte verf en je krijgt roze verf. Genen doen dat niet.

Vergelijk het met de ballenbak van Ikea. Het mengt wel, maar elk balletje houdt toch zijn eigen kleur. In elk balletje zit informatie over een bepaalde eigenschap. Die eigenschap komt van beide ouders, want genen willen altijd gezellig met z’n tweeën zijn. Kinderen krijgen van hun ouders dus de helft mee van hun genen. De ene helft van pa, de andere helft van ma. De nieuwe combinatie in de ballenbak bepaalt hoe het kind wordt. Wat voor kleur ogen krijgt het? Kroes- of melkboerenhondenhaar? Een wipneus of flaporen?  Pienter, brutaal of verlegen? Nieuwe rondes, nieuwe kansen en altijd prijs. Leuk! Net als op de kermis. Bij honden werkt dat precies zo. Welke vachtkleur krijgt Fikkie? Hoe groot wordt hij? Krijgt hij witte of zwarte poten? Wordt het een brutaal of verlegen hondje? Kijk naar Fikkies genen en je ziet het antwoord. Genen zijn de blauwdruk van het leven.

het effect van homogeniseren

het effect van homogeniseren

Vroeger had je alleen straathonden, de zogenaamde vuilnisbakkies. Ze zagen er allemaal anders uit. Lange poten, korte poten, flaporen, staande oren, krulvacht, langhaar, gevlekt, grote ogen, verschillende vachtkleuren, etc. etc. Maar bij rashonden is dat heel anders. Die zien er allemaal hetzelfde uit. Voorspelbaar zelfs! Je weet al hoe de pups zullen uitgroeien nog voor ze geboren zijn. Hoe komt dat? Het antwoord is: homogeniteit.

Maar hoe krijg je een ras homogeen? Het antwoord is (niet schrikken): incest. Fokkers lieten honden met elkaar paren die familie van elkaar waren. Vaders paarden met dochters, moeders met zonen en broers met zusters. Ja, echt waar! Mensen laten dat voor zichzelf wel uit hun hoofd, maar voor honden vonden ze dat volstrekt normaal. Want zo werden de pups mooi ‘homogeen’ en zo werden de eigenschappen van een ras genetisch vastgelegd.  Door deze incestteelt werden veel genen hetzelfde (zie het plaatje met de groene Ikea ballen) en dat was precies de bedoeling, want alle pups moesten zoveel mogelijk op elkaar lijken. Anders waren ze niet meer dan onvoorspelbare vuilnisbakkies. Fokkers fokten ook graag allemaal met die ene fantastische reu (de kampioen van de hondenshow) die helemaal aan de rasstandaard voldeed. De pups van die reu voldeden ook weer mooi aan de rasstandaard. Iedereen blij. Maar die pups waren allemaal familie van elkaar, met als gevolg dat de variatie in de ballenbak nog verder afnam. En toen begonnen een paar zieke genen het feestje van die o zo mooie, o zo raszuivere rashonden te verstoren.  Daar plukken we nu, generaties later, de wrange vruchten van.

een zak genen op vier poten

genen op vier poten

Want genen hebben soms eigenschappen die minder leuk zijn. Ze kunnen ziektes veroorzaken en ook dat wordt aan de kids doorgegeven. Erfelijke ziektes dus! Het vervelendst is dat elk levend wezen zieke genen heeft. Dat geldt dus weer voor alle muizen, olifanten, fruitvliegjes en honden. Met nadruk op alle. Ook alle mensen!  Gelukkig is de kans dat twee ziekmakende genen (1 van pa en 1 van ma) elkaar kruisen niet zo groot als de genen gevarieerd zijn. Maar die kans is veel groter als pa en ma familie van elkaar zijn, dan hebben ze namelijk veel genen gemeen! En dat is helaas bij alle hondenrassen het geval. Gelukkig groeit het inzicht steeds meer dat een ballenbak met gevarieerde kleuren veel gezonder is dan een bak waar alleen maar groene, homogene ballen in zitten. Variatie, dáár moet de natuur het van hebben!

Maar ja, we zitten intussen wel mooi klem met al die honden die familie van elkaar zijn. Dat is niet een, twee, drie terug te draaien, want die ballen krijgen niet vanzelf een andere kleur. De enige manier om de genen weer op een gezond en gevarieerd peil te krijgen, is het inbrengen van vers bloed! Ook voor de Saarlooswolfhond. Nieuwe, frisse genen, van andere niet verwante rassen zodat de variatie weer toeneemt. Veel fokkers horen dit niet graag, want dan kom je aan hun heilig huisje: raszuiverheid! En jij weet ook wel hoe het is met heilige huisjes. Daar mag je niet aankomen, want die zijn niet voor niets heilig. Maar als je moet kiezen tussen een raszuivere, zieke hond met nauwelijks genenvariatie of een rasonzuivere hond met een gezonde genenmix? Ik zou het wel weten!

Bovendien: wat is eigenlijk de definitie van raszuiverheid? Ach, laten we het daar maar niet over hebben, want dan wordt dit verhaal nog langer. Een verhaal, zoals gezegd, dat sommige fokkers van rashonden niet graag horen.

De rasvereniging waar Marianne en ik lid van zijn, de AVLS, laat dit geluid wél horen. De AVLS streeft naar genenvariatie in plaats van naar homogeniteit. Meer over dit onderwerp en over veel meer onderwerpen kun je vinden op deze pagina van de AVLS.